| home |
|
| ![]() | ||||||
|
Veenvorming Afgelopen week was de hoogste temperatuur 13,2 graden, geen winter maar vroeg voorjaar. In het nieuws uitlopende bomen, speenkruid in bloei en madeliefjes die de hele winter doorbloeien. Vochtig en warm het klimaat waarin planten goed gedijen. Lang geleden in het Krijt en Carboon waren de temperaturen ook hoog. Perioden waarin het gehalte van het broeikasgas koolzuur zeer hoog waren. Planten legden het koolzuurgas vast en produceerde zuurstof. In zulke omstandigheden groeien de planten harder dan dat afbrekers de dode resten van de planten kunnen afbreken. Het ontstaan van eerst veen en vervolgens vele miljoenen jaren later steenkool onder de druk van de vele aardlagen die eroverheen werden gelegd. Veen Veen ontstaat op plaatsen waar in de winterperiode de plantenresten van blad en stengels niet verteren. Er vindt een opeenhoping plaats van dood organisch materiaal. Er zijn verschillende oorzaken waarom er geen afbraak, langzame afbraak of verbranding plaatsvindt. De meest voor de hand liggende oorzaak is geen zuurstof om de plantenresten te verteren. Of zeer taaie houtige stengels zoals bij riet die maar langzaam verteren. Soms zijn er onvoldoende afbrekende schimmels, bacteriën of kleine diertjes omdat essentiële voedingstoffen zoals mineralen ontbreken. Verzuring van het milieu onder invloed van regen en de organische zuren uit de plantenresten of van de planten zelf, remmen de afbraak. Het is vergelijkbaar met voedsel dat in het zuur lang bewaard wordt zoals zuurkool, zure haring en zure bommen. Veenlijken blijken ook zeer goed geconserveerd. Veen is dus een opeenhoping van half en niet vergane plantenresten. Dat kunnen hogere planten zijn maar ook mossen. In ons land komen verschillende veensoorten voor. De veensoorten worden benoemd naar de resten die met het blote oog en onder de microscoop nog goed zichtbaar zijn. Zo bestaat er rietveen, zeggeveen en de combinatie hiervan maar ook veenmosveen, broekveen en bosveen. Op de bodemkaarten van Nederland en bijvoorbeeld van Vechtstreek zijn deze veensoorten prachtig te zien. Veengroei Op school leerden we vroeger het verschil tussen hoogveen en laagveen. Dat heeft veel te maken met de manier hoe veen groeit. Meestal ontstaat er eerst laagveen dat pas veel later uitgroeit tot hoogveen. Beter zijn de termen oppervlaktewater veen voor laagveen en regenwaterveen voor hoogveen. Water en veel water is essentieel voor ontstaan van veen. Aan de rand van een waterplas groeien planten die met hun voeten in het water staan. Tussen de planten spoelt rommel aan, dooie vissen, rottend zeewier of dode waterplanten, de oever stroomt over en er blijft wat klei achter. Voedsel en water waarop moerasvegetatie met kleine lisdodde, riet, grote lisdodde, rietgras, oeverzegge, koninginnekruid, wolfspoot, kattenstaart, moerasmelkdistel, biezen, harig wilgenroosje, groot moerasscherm, en nog veel meer planten die vooral houden van het vele voedsel. Ieder jaar sterven de planten af en vallen over elkaar heen. De laag wordt steeds dikker en de rietkraag groeit steeds verder het meer in. Op het meer of een dode rivierarm groeien jaar in jaar uit waterplanten en drijfplanten. Ze sterven af en zakken naar de bodem. In het stilstaande water komt onderin geen zuurstof en de resten hopen zich op. Steeds hoger net zolang totdat de resten boven het water uitkomen. Het is een grote spons geworden die gevoed wordt van onderuit door grondwater en bovenaf met regenwater. In dit zure milieu groeit mos; veenmos en haarmos. Het veen is van laagveen, oppervlakte waterafhankelijk veen tot hoogveen, regenwaterafhankelijk, geworden. Een prachtig voorbeeld van zo'n proces is te zien op de oeverlanden van de Amstelveense en Kleine poel maar ook in het Wormer en Jisperveld en natuurlijk het Ilperveld. Op plekken waar het grondwater aan de oppervlakte komt, zogenaamde brongebieden vaak nabij stuwwallen zoals in het Gooi en op grote schaal in Drente, groeiden voedselarmere venen. In dit veen worden soorten gevonden als gewone hei, dophei, wollegras, verschillende kleine zeggesoorten zoals blauwe zegge, geelgroene zegge, twee rijiige zegge en veenmossen. In het Laegieskamp bij de Hilversumse Meent is nog een klein stukje levend voorbeeld van een dergelijke veenvorming. Bij Natuurvereniging de Ruige Hof op het gebied Klarenbeek is dit proces zichtbaar op het Duizendgulden landje. Jaarlijks maaien houdt de ontwikkeling in een bepaald stadium waardoor er verder geen groei meer optreedt. Waar de zee inbrak op veenstroompjes zoals het Gein bleef op de oeverwal een laagje klei over. Vaak net genoeg mineralen om berk, els, wilg en eik te laten groeien. In het hoogveen groeiden soms Grove den. Bij het groeien en natter worden van het veen groeiden de wortels soms omhoog om verdrinking te voorkomen. Bij verdere groei van het veen stierven de bomen door gebrek aan voedingstoffen en ziekten uit. Soms verzopen ze gewoon. Hieruit ontstond later het bosveen. Bij aanleg van sloten of poelen worden nu nog dikwijls dikke boomstronken uit het veen gehaald. De meest bijzondere veenvormer is veenmos. In Nederland komen 29 soorten veenmos of Spagnum voor. Spagnum wordt in zakken verkocht als vulmiddel in stukjes. Dit mos kan enorme hoeveelheden regenwater vast houden. Regenwater is altijd licht zuur maar deze mossen produceren zelf ook zuren waardoor de omgeving zo zuur wordt dat veel plantensoorten hier niet meer kunnen groeien. Soorten die hier nog tegen kunnen zijn Zonnedauw, Veenmosorchis, Kam- en moerasvaren, Kleien veenbes, Lavendelhei en Veenpluis. Veenlandschap Ooi vormde het veen in Noord-Holland veenbulten tot wel 4 meter hoog. Vrijwel heel Noord-Holland laag onder een dikke deken van veen. Uit deze enorme sponsen stroomde kleine riviertjes zoals Het Gein, De Waver, Bullewijk en De Leek in Waterland. Het veen is verdwenen door afslag van de zee maar ook door menselijke ontginning. Ontwatering van de venen maakte de weg vrij voor vertering. In West Friesland verdween het veen en bleef de klei over en het typische ontginningspatroon met de smalle kavels over. In waterland en rondom Wormer en later in Amstelland trok men de veenbagger op de weilanden om er turven mee te maken. De sloten werden steeds wijder en tenslotte kreeg de wind er vat en afslag maakte er kleine meren van. In Utrecht regelde de bisschop de ontginningen en kaarsrechte stroken, de cope-ontginning rondom Teckop, Cockenge, Galekop ontstonden. Bij Vinkeveen en Loosdrecht werd veen gewonnen uit de slootbagger. De stukjes land, de legakkers werden tenslotte zo smal dat hier grote meren ontstonden. Rondom de riviertjes in Amstelland was het veen niet altijd geschikt voor de kachel. Er zat teveel klei en houtresten in. Dat brandt slecht en geeft veel as. | ![]() | ![]()
| |||||