| home |
|
| ![]() | |||||
|
Stinsenplanten
Dan moeten we eerst de stins verklaren. De naam, oorspronkelijk uit Friesland afkomstig, was een stenen gebouw een verdedigbaar werk of klein kasteeltje. De bewoners hier hadden het wat beter en verbouwden geen groenten tot in de voortuin. Op hoogtij dagen versierden de dames de omgeving met bloemen. Makkelijker is het als de bloemen in de eigen tuin zouden staan. Dus naast de moestuin met groenten, de kruidentuin met geneeskrachtige kruiden en eetbare kruiden, kwam er ook een tuin voor de sierplanten. In het begin was het dus een verzameling van mooie planten die vroeg bloeiden, verzameld in het wild. Ook ruilde men planten. Later waren dat ook planten uit verre streken. En wat kun je dan beter ruilen dan een bolgewas? Men verzamelde vaak een prachtige collectie rond de stinsen of het landgoed bij elkaar. In de Gouden eeuw was een bonte verzameling met uitheemse planten veel waard. De tulp is er beroemd mee geworden. Stinsenplanten overleven ons klimaat Veel stinsenplanten van nature in ons land niet voor. Tóch kunnen ze in ons klimaat overleven. De planten groeien oorspronkelijk op grote hoogte in berggebieden waar het in de winter ook flink koud wordt. Het zijn vaak bolgewassen waarvan de bol onder de grond barre tijden overleefd. De meeste stinsenplanten bloeien vroeg en maken voor de zomer flink blad om voedsel te verzamelen. In de zomer, najaar en winter zijn ze onzichtbaar. Dit patroon past bij een klimaat in de bergen van zuidelijke landen. Alleen het voorjaar is geschikt om te groeien en te bloeien want de zomer is te heet en te droog. Dat de planten niet uit ons klimaat komen, blijkt uit het feit dat ze zich niet uit zaad vermeerderen. Vermeerdering gebeurt uitsluitend door uitgroei van de bollen of wortelstokken. Het voorjaar is de tijd voor stinsenplanten Onder de warme deken van afgevallen blad is het goed toeven in de winter. Al vanaf januari bloeien de eerste stinsenplanten. Als er nog geen blad aan de bomen is, valt er genoeg licht op de grond. Nieskruid of helleborus, winterakoniet, sneeuwroem en sneeuwklokje zijn voorbeelden van prachtige vroege bloeiers. Met veel geluk tref je het voorjaarsklokje nog bloeiend aan. Later volgen de krokus en de wilde hyacinten, longkruid en holwortel. Waar staan de stinsenplanten nu? Stinsenplanten staan nu op de plekken waar deze planten in voorbije eeuwen werden verzameld zoals landgoederen, kasteeltuinen, oude kerkhoven en bolwerken. In Noord-Holland zijn op vrijwel alle oude buitenplaatsen stinsenplanten te vinden. Vooral in de Kennemerduinen want de kalkrijke, humeuze grond is een eldorado voor deze planten. Onze provinciale hoofdstad Haarlem spant de kroon. Op Het Bolwerk achter het station, in de tuinen van de provinciale Griffie, het Kenaupark en niet vergeten de Hout staat het bol van de stinsenplanten. In het voorjaarsnummer van Landschap Noord-Holland maart 2003 schreef Ton Denters over de stinsenplanten in Haarlem. Beroemd is de bosgeelster op het Bolwerk. Stinsenplanten zijn heel goed in de tuin te houden Stinsenplanten houden van een vochtige, humeuze en kalkrijke grond of bosgrond. Ze staan vaak op niet al te zonnige plaatsen maar houden wel van een voorjaarszonnetje. Het zijn prima bodembedekkers en staan graag in de schaduw van de takken van struiken en bomen. Het zijn bijvoorbeeld prima planten om onder een boomsingel te planten bij boerderijen. Kalkrijke, luchtige en humeuze kleigronden zijn favoriet. Veel boeren in de Wieringermeer en de Beemster telen sneeuwklokjes. In de boomgaard doen ze het ook goed. Welke stinsenplanten zijn er? Henk van Halm heeft een praktische indeling beschreven in zijn boekje 'de Natuur Nabij'. Kleine bolgewassen: sneeuwklokjes, lenteklokje, wilde hyacint, drie soorten sterhyacint, drie soorten sneeuwroem, boerenkrokus, voorjaarskrokus, blauwe druifjes, knikkende vogelmelk, wilde, trompet- en witte narcis, kievitsbloem, keizerskroon, daslook, lelietje der dalen, bostulp, droogbloeier, salomonszegel, winterakoniet, gele, blauwe en bosanemoon, vingerhelmbloem, holwortel, Haarlems klokkespel, gevlekte en Italiaanse aronskelk. Knollen en wortelstokken: wrangwortel, Japans- en withoefblad, maarts viooltje, stengelloze sleutelbloem, breed en smal longkruid, wilde akelei, kleine maagdenpalm, voorjaarshelmkruid, bos vergeet-me-nietje, alpenbes, prachtframboos, bonte en gevlekte dovenetel, bastaard doronicum, voorjaarszonnebloem, lievevrouwebedstro, groene ossetong, donkere ooievaarsbek, vingerhoedskruid, adderwortel en breedbladig klokje. Op het internet is ook veel te beleven, zie hieronder. Fotobijschrift Op de foto is het voorjaarsklokje te zien. Een echt voorbeeld van een stinsenplant. Mijn vader nam 40 jaar geleden enkel bolletjes mee uit de bergen in Oostenrijk. Jarenlang stond het polletje bij het ouderlijk huis en verhuisde 5 jaar geleden naar mijn tuin toen mijn ouders naar een verzorgingsflat gingen. Zo gaat dat dus met stinsenplanten.
| ![]() | ![]() | ||||