| home |
|
| ![]() | ||||||||
|
Biezen en zeggen Wilde grassen Inmiddels zijn we zover dat het gras hoog langs alle bermen en de nog niet gemaaide graslanden staat. De kleuren zijn verschoten van licht groen naar strobruin en tussen de grassen zien we kleurige planten met geel, rood en blauw. De planten zijn op dit moment op een hoogtepunt. Kleurige hooilanden Het is inmiddels 15 juni geweest. Dat betekent voor veel boeren die een zogenaamd 'laat pakket' hebben (ze ontvangen geld om laat te maaien i.v.m. de weidevogels) mogen nu gemaaid worden. Slechts enkele graslanden met een botanisch doel, er staan bijzondere planten, worden nog later gemaaid. De kleur is af. Naast grassen komen in graslanden ook zeggen, biezen en russen voor. Ze hebben allemaal een grasachtig uiterlijk. Zeggen De zeggen zijn cypergrassen. Ze lijken op gras maar hebben een driehoekige stengel. Het is dat taaie gras dat scherp aanvoelt. Sommige zeggesoorten worden als sier in de tuin gezet. Hele grote zeggesoorten zijn de hangende zegge en de pluimzegge. Ook de hoge cyperzegge met de hangende aren is prachtig. Langs de slootkanten bloeit nu de oeverzegge. Ook dit een forse plant. Kleinere soorten zijn de vroege- en voorjaarszegge. In het bonte hooiland staat volop de zwarte zegge met de diepe grijsgroene kleur en zwarte aren. De term blauwgrasland die vroeger werd gebruikt komt van de blauwe zegge. In Noord-Holland hebben we nog één heel klein stukje in het Laegieskamp bij Hilversum. In zandige bermen staat de ruige zegge met de behaarde bladscheden. En in de duinen staat zandzegge die in stuifvlaktes, maar ook langs de druk belopen paden, het zand met een gelijkheid 'van de steken van een naaimachine' vastlegt. De bloemen van de zegge zijn bijzonder omdat de planten eenhuizig en tweeslachtig zijn. Er zitten dus altijd mannelijk en vrouwelijke bloemetjes aan en dan ook in gescheiden aren. Bij de oeverzegge bloeien vaak eerst de mannelijke aren boven in de top met gele pluimen. Pas later zijn de vrouwelijke aren zichtbaar die als dikke trossen lager aan de plant zitten. Ook de zwarte zegge bloeit op een gelijksoortige manier. Biezen De grootste biezensoort in Nederland is de mattenbies. Dikke stengels die boven het ondiepe water moeraswater uitsteken. In de kop van Overijssel bij Zwartsluis en Vollenhove worden ze gebruikt voor stoelzittingen. Er zijn 30 soorten biezen in ons land. Ze behoren ook allemaal tot de cypergrassen. Ze hebben vrij primitieve bloemen die in een aar staan. De kelk en kroonblaadjes zijn vervangen door borstels of haren. Bekende biezen zijn de wollegrassen met veenpluis, de waterbiezen, heen of zeebies en minder bekende borstelbies en knopbies. De meeste biezen groeien vaak in groepjes bij elkaar. Zo kleurt de kleine waterbies hele stukken van een weiland donker groen. Hazen zijn gek op de bloemknoppen en soms is een heel veld kaal gegeten. Russen De bekendste rus is de pitrus. Zijn naam heeft hij niet te danken aan slaperigheid maar de pit werd gebruikt voor olielampen. In Nederland zijn er 24 soorten russen. Deze groep planten wijkt af van de overige omdat ze echte bloemen maken. Niet zo kleurrijk want het zijn echte windbestuivers. Vooral bij winderig wat vochtig weer gaan de bloempjes open en vindt bestuiving plaats. Russen zijn taaie rakkers en staan vaak op plaatsen waar gelopen wordt of de grond wat is verstoord. De pitrus is berucht in verwaarloosde graslanden en is daarin heel moeilijk te bestrijden. Andere russen zijn prachtig om te zien zoals de paddenrus die er in natuurgebied Klarenbeek in Amsterdam-Zuidoost prachtig bij staat. Een veld van licht groen met een lichte, roze waas van bloemetjes. Tenslotte nog over het gras van de vorige keer In de Nederlandse flora staan 160 wilde soorten gras beschreven. 25 soorten staan op de Rode lijst en komen zeldzaam voor. Een gras is een plant met bladeren die veel langer zijn dan breed, holle stengels heeft met knopen en waarvan de balderen in twee rijen staan. Er zijn zodevormende grassen en polvormende grassen. Het grootste gras in Nederland is maïs en verwilderde bamboe. Ook riet is een groot soort gras en het liesgras in de slootkant. Kleine grasjes zijn het straatgras, tussen iedere stoeptegel zichtbaar, en de zilverhaver op de drogere zandplekjes. In grassen zitten pluimen zoals bij het struisgras, echte witbol en de bochtige smele, of een aar zoals bij het kruipertje dat vaak in "bepiste" boomspiegels staat of een aarpluim zoals bij vossestaart en timoteegras. Grasbloemen zijn windbestuivers, bij een stevige wind komen er wolken met stuifmeel vrij. Lastig voor hooikoorts gevoelige mensen. Grassen worden gedetermineerd op de bloemen en op de manier waarop het blad aan de steel vastzit. Hier zitten de oortjes en de tongetjes die bij ieder gras weer anders zijn gevormd. Boeken over grassen 'Tirion Grasgids', Tirion, 2002, 9052104670. 'Heukel’s Flora Van Nederland', Wolter-Noordhoff, 1996, 9001583431. 'Grassen, varens, mossen en korstmossen', Spectrum, 1980, 9027492573. 'Nederlandse ecologische Flora', deel 5 IVN/VARA, 1994, 9063010249 (niet los te koop). 'Grasses 3, editie Penguin Books, London, 1984, 0140132279. Een aantal van deze boeken zijn verkrijgbaar in de InformatieWinkel van Landschap Noord Holland aan de Dorpsstraat in Castricum. Op het internet is ook veel te beleven, zie hieronder.
| ![]() | ![]()
| |||||||